To be: am, is, are
To be is het werkwoord zijn. Je zegt I am, he is en we are. Engelsen gebruiken het ook waar wij hebben zeggen: I am hungry.
1e graadConcept
Onderwerpen
16 onderwerpen
To be, de present simple en continuous, de past simple, vragen stellen en can, must en have to.
To be is het werkwoord zijn. Je zegt I am, he is en we are. Engelsen gebruiken het ook waar wij hebben zeggen: I am hungry.
1e graadConcept
Met de present simple vertel je over gewoontes en feiten. Bij he, she en it krijgt het werkwoord een -s: she plays, he watches.
1e graadConcept
Met am, is of are en een werkwoord op -ing zeg je wat er nu gebeurt: I am eating, it's raining. Gewoontes blijven in de present simple.
1e graadConcept
Met de past simple vertel je over iets dat voorbij is: I walked, we played. Veel werkwoorden zijn onregelmatig: go, went. Ontkennen en vragen gaan met did.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Een Engelse vraag bouw je met een vraagwoord en do of does: Where do you live? Bij to be en can heb je geen do nodig.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Can is kunnen of mogen, must en have to zijn moeten. Opgelet: mustn't is niet mogen, don't have to is niet hoeven.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Meervoud en lidwoorden, bezit, vergelijken, voorzetsels en valse vrienden voor wie Nederlands spreekt.
Je kiest a of an op de klank, je maakt het meervoud met -s, -es of -ies, en je leert de woorden die anders doen.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Van wie is het? Je leert my, your, his, her, its, our, their, de apostrof van Tom's bike en the girls' room, en mine en yours.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Korte woorden krijgen -er en -est, lange woorden more en most. Na de vergrotende trap komt than, en wie gelijk is, is as tall as.
1e graadConceptMet Kaft Plus
At een klokuur, on een dag, in een maand of een jaar. En voor plaatsen: at een punt, on een oppervlak, in een ruimte.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Sommige Engelse woorden lijken op het Nederlands, maar betekenen iets anders. Eventually is ‘uiteindelijk’, brave is ‘dapper’ en slim is ‘slank’.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Getallen, de tijd en datums, de weg vragen en bestellen of kopen, met zinnen die je kunt beluisteren.
Hoor het verschil tussen thirteen en thirty, zeg de tijd op de Britse manier, lees datums, prijzen en telefoonnummers. En trap niet in half seven.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Vraag beleefd de weg, begrijp turn left, go straight on en take the second street on the right, en zeg wat er is met there is en there are.
1e graadConceptMet Kaft Plus
In een café, een winkel of aan het loket: beleefd vragen met Can I have...? en I'd like..., prijzen vragen, een ticket kopen en betalen.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Een tekst lezen voor de grote lijn en een kort bericht of een mail schrijven.
Je hoeft niet elk woord te kennen om een Engelse tekst te begrijpen. Kijk naar de titel, de eerste en laatste zin en de sleutelwoorden.
1e graadConceptMet Kaft Plus
Een goed bericht heeft een begroeting, een openingszin, je boodschap, een vraag terug en een afsluiting. Aan een vriend schrijf je anders dan aan een leraar.
1e graadConceptMet Kaft Plus