Present simple: wat je altijd of vaak doet
Met de present simple vertel je over gewoontes en feiten. Bij he, she en it krijgt het werkwoord een -s: she plays, he watches.
Waarom
Je penvriend in Manchester vraagt hoe jouw gewone schooldag eruitziet. Hoe vertel je dat?
Over je gewoontes praat je met de present simple: I get up at seven. I go to school by bike. My sister plays football on Saturdays.
Ook feiten staan in de present simple: The Eurostar goes to London. Cats like fish. Je hebt deze tijd dus nodig in bijna elk gesprek en in elke tekst over jezelf.
Zie het
Kies een werkwoord en een onderwerp. Bij he, she en it bouwt de uitgang zich op, en je ziet welke spellingregel geldt.
Na s, ss, sh, ch, x en o schrijf je -es.
Beschrijving van het beeld
Links staan knoppen met onderwerpen, rechts knoppen met werkwoorden zoals play, watch, go, study en have. In het midden staat de zin, bijvoorbeeld She watches TV. De uitgang es is gemarkeerd, met de regel: na ch, sh, s, ss, x en o schrijf je es. Bij I, you, we en they blijft het werkwoord zonder uitgang.
Snap het
De present simple gebruik je voor dingen die je altijd, vaak of nooit doet, en voor feiten. Het werkwoord blijft zoals het is: I play, you play, we play, they play.
Alleen bij he, she en it (en bij één persoon of ding, zoals my dad of the train) komt er een -s bij: he plays, the train leaves. Dat is de belangrijkste regel van deze les.
Soms verandert de spelling. Na s, ss, sh, ch, x en o schrijf je -es: watches, washes, goes, does. Medeklinker plus y wordt -ies: study wordt studies. Klinker plus y krijgt gewoon -s: play wordt plays. En have wordt has.
Ontkennen doe je met don't of doesn't en het gewone werkwoord: I don't like tea, she doesn't like tea. Let op: de -s zit dan al in doesn't, dus het werkwoord krijgt er geen meer.
Woorden zoals always, usually, often, sometimes en never staan voor het werkwoord: I always walk to school. Na am, is of are staan ze erachter: She is often late.
He/she/it + werkwoord + -s (-es na s, ss, sh, ch, x, o; medeklinker + y wordt -ies; have wordt has). Ontkennen: don't of doesn't + werkwoord zonder -s.
Voorbeelden om te beluisteren
My brother plays football every Saturday.
Eén persoon, een gewoonte: werkwoord + -s.
She watches TV after dinner.
Na ch schrijf je -es.
He studies French at school.
Medeklinker + y wordt -ies.
The train doesn't stop in Lille.
Ontkenning: doesn't + stop, zonder -s.
I always walk to school.
Always staat voor het werkwoord.
My mum has got a new bike.
Have wordt has, en has got is heel Brits.
Uitgewerkt voorbeeld
Vul in: Emma ___ (go) to the cinema every Friday, but she ___ (not like) horror films.
Emma is één persoon, dus het werkwoord krijgt een -s.
Go eindigt op o, dus je schrijft -es: goes.
De ontkenning is doesn't + werkwoord zonder -s: doesn't like.
- Antwoord
Emma goes to the cinema every Friday, but she doesn't like horror films.
Doe het
Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt.
Valkuilen
Fout: She play tennis.
Bij he, she en it vergeet je snel de -s, omdat het Nederlands daar geen aparte uitgang heeft.
Juist: She plays tennis.
Fout: He doesn't likes cheese.
De -s zit al in doesn't. Het werkwoord erna blijft zonder -s.
Juist: He doesn't like cheese.
Fout: I go always to school by bus.
In het Nederlands zeg je ik ga altijd, maar in het Engels staat always voor het werkwoord.
Juist: I always go to school by bus.
Fout: My sister studys a lot.
Na een medeklinker wordt y een i, en dan schrijf je -es.
Juist: My sister studies a lot.
In het echt
- In een brief aan je penvriend: I live in Aalst. I go to school by bike and I play hockey on Wednesdays.
- Op het bord in het station van Dover lees je: The ferry leaves at 10.30.
- In een gamechat: My brother never plays with me. He always wins.
Geschiedenis
Vroeger had het Engels bij he, she en it vaak de uitgang -eth, zoals he goeth en she loveth. Je vindt die vorm nog in oude teksten, zoals de toneelstukken van Shakespeare. Later is -s de gewone uitgang geworden.
Aan tafel
Speel Who does what? Om de beurt zeg je één zin over iemand aan tafel, zonder de naam te zeggen: She drinks coffee every morning. De anderen raden wie het is. Vergeet je de -s, dan is de volgende aan de beurt.
Iets om samen te doen of over te praten, voor ouders en kinderen. Fouten mogen.